Winterwandeling

Winter

“Verdomme, gebroken.” Marscha stond met haar voet tegen de achterbumper van de oude Golf haar linker wandelschoen vast te maken. Ze wreef in haar handen, het was koud. Haar adem vloog in wolkjes door de ijzige lucht.

“Ik heb reserves bij mij.” Evie dook in haar rugzak en diepte er een nieuwe veter uit. Marscha veterde haar schoen opnieuw en ging met een zucht rechtop staan. Evie hees haar rugzak op haar rug.

In deze eerst week van januari was de wind gedraaid naar het noordwesten. Het had gesneeuwd, de lucht was vlijmscherp. Onvoorstelbaar dat er tijdens de kerstdagen nog terrastemperaturen waren gehaald. Marscha rilde in haar dunne leren colbert.

“Heb je geen jas bij je?” vroeg Evie, die in haar grasgroene Northface- jack en magenta haarband elke winter zou kunnen doorstaan.

“Nee, vergeten. Dat het ineens zo koud is!” In haar atelier was de kachel kapot gegaan en ze had in haar winterjas de laatste streken gegeven. Er zaten vegen in allerlei kleuren op. Een regenboogjas was het geworden. Ze kon zich er buiten niet meer mee vertonen.

Evie schudde haar bruine, krullen, “Je bent ook nog eens zo mager als een talhout.”

Marscha klapte de achterklep dicht en deed de auto op slot. Ze had de oude Golf van Krüger geleend, een door de erosie matrood geworden wagen met een wit portier dat na een schade nog steeds op een spuitbeurt wachtte. Krüger zat in het appartementje naast haar. Hij was beeldhouwer. Ze woonden met een kunstenaarscollectief in een kraakpand in het centrum. Ze leenden van elkaar als het nodig was.

Evie was met een Landrover. “Gijs’ auto,” merkte ze op, “deze heeft winterbanden, zelf heb ik een Mini Cooper,” meldde ze. Ze had de enorme wagen naast die van Marscha geparkeerd. Het gaf een aardig beeld van de verschillen tussen hen.

Er stonden verrassend veel auto’s op de parkeerplaats en er kwamen er steeds aanrijden. Blijkbaar hadden de mensen vrij en wilden ze allemaal voetsporen in de sneeuw maken. De kwebbelende volwassenen liepen hand in hand met huppelende kinderen het bos in. Gezinnen die de kerstdagen hadden overleefd en kwamen luchten. Alles leek gelukkig.

Evie nam het voortouw. Ze volgden eerst de asfaltweg waar ook auto’s en fietsers overheen reden. De weg kroop als een zwarte, glanzende paling tussen de witte bermen omhoog. Vanwege de ‘echte’ bergklim lag deze goed bij amateurwielrenners die hen luid roepend en fluitend voorbij fietsten.  Hoe groter de groep, des te lager het gemiddelde IQ, bedacht Marscha. Ze had het niet op sportinspanningen. Waartoe? kon ze zich luidkeels afvragen.

Evie vertelde al wandelend over de oudste zoon die in groep 6 zat, over de tweede die in de F1 voetbalde, en de dochter die last had van doorkomende tandjes. Gijs had promotie gemaakt. Zijn sales-district was nog groter geworden, ook België zat erbij. Ze keek lachend naar Marscha. Die vriendelijk terug knikte en “zo, zo,” zei.

Daarna sloegen ze rechtsaf de gebaande weg af en gingen via een pad omhoog. De takken van de hoge bomen bogen onder het gewicht van de sneeuw. De zussen maakten verse afdrukken en het kraakte onder de voeten. Geluiden werden gesmoord door de witte deken. Ze waren samen.

“Jammer dat jij niet getrouwd bent,” stelde Evie vast. In het straffe tempo waarin ze liep, had Marscha nauwelijks adem om te antwoorden.
“Het is  er… nooit van gekomen. Maar… ik woon samen met een kat… twee zelfs,” hijgde ze. Misschien na dit project, dat ze eens rond kon kijken. Krüger liep al jaren achter haar aan.
“Ze vond het helemaal niks dat jij de kunst in ging. Dat leidde nergens toe. Pa vond dat overigens ook. Kunstenaars: het lijkt heel wat maar ze hebben geen korstje brood te eten.”
“Daar … hebben ze …gelijk in.” Evie vertelde haar niets nieuws, waarom zou ze dit oprakelen? Om hen heen leken de bomen geïrriteerd de sneeuw van hun takken te schudden en waaide het witte poeder op hun hoofd.
“Alleen de aller, allerbeste kunnen er van leven. Als je naar jezelf kijkt, moet je toch toegeven dat het armoe troef is. Je loopt niet voor niks in een zomerjas met schoenen van honderd jaar oud. En die Golf! Verschrikkelijk.”
“Ik had geen tijd om
“Geen tijd! Laat mij niet lachen. Dat beweer je al jaren,” viel Evie in de rede. Het smalle pad dat tot dan toe omhooggegaan was, liep door een dalletje waar een beek doorheen stroomde. Het dalen gaf Marscha de hoeveelheid lucht die ze nodig had voor haar woorden.
“Heb je The Guard of Art gelezen?”
“Mmm…The Guard of Art?”
“Dat is een belangrijk Amerikaans tijdschrift over kunst.” Ze kwamen bij het watertje. Via een smal houten bruggetje konden ze de overkant bereiken. Achter elkaar trippelden ze over de gladde planken. Daarna steeg het pad opnieuw.
“O?” sprak Evie verwonderd.
“Sam Wolf schreef een mooi stuk… over mij… in dat tijdschrift.” Marscha voelde haar wangen gloeien, ze hield niet van opscheppen. Ze zette haar voet verkeerd neer en gleed bijna uit. Haar zus kon haar nog net bij de arm pakken. Zoals die Evie omhoogliep, ze was niet bij te houden. Marscha kuchte.
“Sam Wolf?” vroeg Evie.

Ze waren aangekomen bij een lange steile trap. Hoe zou Marscha moeten uitleggen wie de man was en wat zijn belang was geweest voor haar? Ze zweeg en probeerde rustig ademend naast Evie de treden op te lopen. Bovenaan kwamen ze op de top van de een na hoogste Nederlandse berg. Dichter bij de hemel komen was in dit land alleen in Limburg mogelijk.

De dikke nevel maakte echter een ver zicht onmogelijk. Grijs, grijzer, grijst waren de kleuren vandaag. De heide zag er sowieso alleen in de zomer als hij paars bloeide aantrekkelijk uit. De vochtige koude prikte hen in het gezicht.

“Hè, hè… boven!” pufte Marscha. Evie glimlachte, haar witte tanden glommen, haar konen gloeiden, ze zette meteen de pas er in.

Zwijgend glibberden ze als eendjes achter elkaar over een golvend eenpersoons pad en kwamen bij het Paviljoen de Posbank aan. De parkeerplaats daar stond afgeladen. Ze hebben gelijk, dacht Marscha, als ze ook direct hier naartoe waren gereden had dat een flinke klauterpartij gescheeld.

“Ik heb wel trek in een bakkie,” zei ze en wreef zich in de handen.
“Nu al? We lopen net een goed half uur. Ik wou door naar de Carolinahoeve. Ik moet alleen eerst naar de wc.” Evie liep naar binnen alsof haar plas geen minuut meer kon wachten.

Marscha wachtte buiten. Ze pakte een buideltje tabak uit haar jaszak en rolde een shaggie. Ze stak hem aan en zag haar spiegelbeeld in de glazen ruit. Het was lang geleden dat ze zichzelf goed had bekeken. Dat haar, die enorme bos blonde krullen, ze had alles in een soort vlecht gerommeld, overal vielen er lokken tussenuit. Ze duwde wat plukken achter haar oren. Vergeleken met Evie zag ze er uit als een rommelzolder. Ze grijnsde.

“Tevreden?” merkte een man op die bij haar kwam staan. Hij had haar betrapt.
Hij stak een sigaret op. Marscha grinnikte en zei:
“Bedacht net dat ik zou moeten stoppen. Kon mijn zus nauwelijks bijhouden de helling op.”
De man boog zich naar haar toe en fluisterde: “Dan heb je niet meer van deze leuke ontmoetingen.”

Evie kwam met wapperende handen naar buiten. Blijkbaar nog niet helemaal droog geblazen. Toen ze de man zag, hield ze haar pas in. Ze keek naar hem met haar kin omhoog. Hij zette een paar passen naar achter. Alsof hij schrok van haar donkere blik.
‘Daar had ze zo’n hekel aan, rokers. Ze stonken,’ zei ze. Evie praatte te hard en bleef over hun moeder zeuren.

Marscha drukte haar peuk uit.
“Kom we gaan verder.” Ze knikte de vriendelijke man toe, hij knipoogde.
“Wie was die vent?” Evie zette meteen de pas erin.
“Niemand,” zei Marscha en haalde haar schouders op. Het zou geen leuke wandeldag worden, dat had ze allang begrepen.
“Ga je zo met ‘niemand’ om?” vroeg ze. Marscha haalde haar schouders op.
“Ik bedoel: ik ken hem niet. Hij was aardig.”

Evie voerde het tempo op.

“Mamma had het beste met je voor.”

“Ja, dat zei ze mij de laatste keer,” zuchtte Marscha. Waarom zou Evie het steeds over haar hebben?
“De laatste keer?”
“Op haar sterfbed, toen ik er was.”
“Jij?”
“Je hebt mij zelf gebeld, gezegd dat ze naar mij vroeg. Toen ben ik gegaan.”
“Ben je gegaan? Dat heeft ze mij nooit verteld.”

Een kleine sneeuwlawine viel van een tak, precies op Evies hoofd. Ze stond stil,  schudde haar hoofd en met één hand probeerde ze haar krullen te herstellen. Haar kapsel was ingestort en water liep langs haar wangen, ze knipperde met haar grote ogen. Evie rilde en schokte met haar schouders. Ze keken elkaar zwijgend aan. Daarna rechtte haar jongere zus haar rug.

“Wat heeft moeder je nog meer verteld?” Evies ogen vernauwden zich tot spleetjes.
“Gewoon, wat je al zei, dat ze haar best had gedaan. Het viel mij niet mee. Geen uitvoerige blijk van liefde of zo… als je dat bedoelt.”
“Ja, ja.” Evie zuchtte.

Ze bleven over de top lopen, totdat ze rechts afbogen, het dal in, op weg naar het pannenkoekenrestaurant. Het was een tamelijk breed en eenvoudig pad.
Evie had zich hersteld. Ze bleek haar missie niet vergeten.
“Gijs heeft de papieren in orde gemaakt voor de erfbelasting. Die moet binnen een jaar afgerond zijn, weet je. Zoals het er uitziet gaan we per persoon ten minste 30.000 Euro betalen. Tja, het huis hè? Dat moet eerst nog verkocht.”
“O.”
“Wie tovert er zomaar zo’n bedrag uit de hoed?” Evie hield de pas in en keek Marscha aan. Daarna wandelde ze verder.
“Er stond spaargeld op hun bankrekening, toch?” vroeg Marscha. Evie haalt haar schouders op.
“Ik vertel wat Gijs mij heeft gezegd. Hij vond het verstandig als wij er samen over zouden praten.”
Ze zetten de daling in. De kuiten van Marscha brandden. De mist was zo dik geworden dat ze alleen op de wereld leken te zijn.
“Als je een huis in de verkoop hebt, kun je toch uitstel krijgen van de belastingdienst?” vroeg Marscha.
“Als dat zo was, zou Gijs het mij verteld hebben. Volgens hem kun jij het best van de erfenis afzien. Je weet dat je huizen met verlies moet verkopen als je geen geduld hebt. Ze staan allemaal onder water. Zeker hier in Gelderland. Je zult je in de schulden moeten steken, Marscha. En je ziet eruit of je geen cent te makken hebt.”
“Ik heb het te druk gehad.”
Evie gooide haar hoofd naar achter en hoon lachte, daarbij verloor ze haar balans, ging onderuit en kwam flink stuiterend op haar achterwerk terecht. Ze gleed een paar meter naar beneden, krabbelde omhoog, slipte en viel op beide knieën. Voorzichtig liep Marscha naar de kreunende Evie en hielp haar bij het opstaan.
“Het was ijzig daar,” merkte Marscha tamelijk overbodig op.

Een eindje verderop stond een bankje. Evie strompelde er aan de arm van Marscha naartoe. Marscha veegde de sneeuw eraf en Evie ging zitten. Ze voelde aan haar knieën. “Au, au, au,” riep ze. Ze toonde de schaafplekken op haar handen aan haar grote zus. De stof van haar lichte broek vertoonde donkere plekken. Ze bloedde. Haar mascara vormde donkere weggetjes op haar gezicht. Evie veegde haar wangen egaal grijs en snoot haar neus. Haar haarband was inmiddels scheef over haar voorhoofd gezakt en de natte plukken hingen willekeurig verdeeld rond haar hoofd.

“Je kunt hier niet blijven zitten. We moeten terug. Het is niet zo ver naar het paviljoen.”
Moeizaam kwam Evie overeind. Haar linkerknie, haar rechtervoet en haar rug leverden problemen bij het bewegen.
“Ik zet je bij het paviljoen neer en dan haal ik beneden de auto op.”

Zwaar op Marscha steunend liep Evie de paar honderd meter door de ijzige lucht. Marscha bibberde van de kou. Bij een uitzichtpunt stonden tientallen mensen, al konden ze geen vijftig meter ver zien. Ze zouden straks de auto pakken om verder te reizen. Wandelaars liepen hen tegemoet of voorbij, zelfs twee mensen op langlaufskies kwamen langsgegleden.
Bij het paviljoen stond de man die met Marscha had geflirt te roken.

“Alweer of nog steeds?” vroeg ze.
“Alweer,” hij schoot in de lach, “Problemen?”
“Ze is gevallen.”
“Waar moeten jullie heen?”
“Onze auto’s staan beneden op de parkeerplaats.”

“Oké, ik breng jullie. Mijne staat daar.” Hij wees naar de parkeerplaats achter het paviljoen die ook Marscha’s eerste keus zou zijn geweest. Op een drafje liep hij weg, de sigaret op de lip.
“Ik stap niet bij een vreemde vent in de auto,” riep Evie toen hij buiten gehoorsafstand was.
“Ik ken hem, samen met hem gerookt daarnet.” Marscha lachte breed, het was een meevaller dat ze hem troffen. Ze liet Evie geen keus.

Mokkend stapte Evie in en na drie of vier flinke bochten stonden ze beneden naast hun eigen vervoermiddel.
“Je bent een engel,” zei Marscha tegen hem terwijl ze het portier opendeed. Evie stapte moeizaam en zwijgend uit. De man liep om de auto heen om hen gedag te zeggen.
“Wil je mij laten weten hoe het verder gaat met haar?” vroeg hij op Evie wijzend en alweer knipogend. Hij overhandigde Marscha zijn kaartje. Marscha knikte, lachte en stopte het in haar zak.
“Wat een geluk dat ik je tegenkwam,” ze bloosde. Hij keek haar in de ogen.
“Ciao, amore,” fluisterde hij in Marscha’s oor. Hij stapte in zijn auto en reed weg. Marscha zwijmelend achterlatend – wat een leukerd.
“Nou, zo kan die wel weer. Jezus, doe normaal,” beet Evie haar toe. “De erfenis, daar hadden we het over. Je ziet er dus van af?” vroeg Evie.
“Als het meer kost dan oplevert wel. Dat zei je mij toch?”
“Nou… nee, we dachten dat je de erfbelasting niet kon betalen. En we wilden je niet met een grote schuld opzadelen.”
“Jullie zouden kunnen overwegen mijn deel voor te schieten, met interest?”
Evie leunde tegen haar auto. Met een piepstem zei ze: “Daar piekert Gijs niet over.”
“Ach jeetje, die Gijs.”
“Ik heb het wel geprobeerd.”
“Is dat wat die Gijs? Als je weg wil bij die oplichter, betaal ik alle erfbelasting.”

De verlopen poppenogen staarden Marscha aan. Evie bracht geen woord uit.
“Weleens gehoord van de kunstenares Marri?” vervolgde Marscha.
Evie stamelde, “Marri… ja, daar heb ik over gelezen.”
“Een Nederlandse kunstenaar die een expositie in New York krijgt?”
“Marri… ja, inderdaad, Marri.”

Marscha deed haar auto van slot, trok haar bergschoenen uit, trok haar laarsjes aan. “Goede reis naar huis! En doe ze allemaal de groeten, mijn zwager, neven en nicht. Kijk maar wat je wil met die erfenis. Ik hoor het van je.” Ze stapte in. Het beestje startte en ze reed weg. In haar achteruitkijkspiegel zag ze Evie. Ze stond naast de Landrover, haar armen slap langs het lichaam.

De lucht was opengebroken en tussen het grijs waren blauwe stroken te zien. De sneeuw schitterde in de zon. Eindelijk had ze het niet te druk. Ze begon een liedje te fluiten. Het werd tijd om eens een nieuwe auto te kopen en een winterjas, misschien eens rondkijken naar een mooie woning in de stad, met een ruim en verwarmd atelier. En ook eens dat nummer bellen van het kaartje. Met Krüger zou het toch niks worden.

Ze glimlachte en dacht aan moeders laatste zinnen, ‘Jij veegt je kont af met geld… maar toch. Pas op met die Gijs, hij is een boef en een geldwolf. Ons huis is vrij en we hebben centen op de bank.’

 

6 reacties op Winterwandeling

  1. Meri schreef:

    Wat weer een super goed verhaal. Kleren maken niet altijd de vrouw.

  2. Andre van Leijen schreef:

    Prima, wat een heerlijk verhaal weer!

  3. Lucia Daams schreef:

    Leuk verhaal. Heb het weer met plezier gelezen.

  4. corrie schreef:

    Wat een leuk verhaal ik heb het weer met veel plezier gelezen

  5. francine schreef:

    2 keer gelezen. Schitterend!!!

  6. Gonda Flohr Willems schreef:

    Met een dikke glimlach gelezen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *