The Hall of fame van Heracles ontmoet Henk Obermeyer

Jan heeft mij opgehaald. We gaan naar het Polmanstadion in Almelo, Heracles, hè. Mijn oude liefde. De hele week heb ik mij verheugd op dit uitstapje, een poosje weg uit de ultieme verveling.

Ik woon sinds kort in ‘een tehuis’. Waar ‘te’ voorstaat is niet goed, zei mijn moeder zaliger. Ze heeft gelijk. In ieder geval geldt het voor dit TEhuis. Je moet je laatste restje zelfbeschikking afgeven als je hier binnenkomt. Het is een prachtig gebouw, het eten smaakt goed, ik heb een chique kamer op de benedenverdieping met uitzicht op de weide en er loopt prettig personeel, maar ze ontnemen mij het recht mijn eigen vrienden te kiezen, het recht op een goed gesprek.

‘We maken hier geen kliekjes,’ vertelde de leiding mij, toen ik klaagde over het feit dat de vijf geestelijke gezonde inwoners naast mijn persoontje, geen tafel voor zes konden krijgen. Dus schuiven de dementerenden, de kwijlenden, de hol-ogigen bij ons aan tafel aan. Mij rest niks anders dan naar mijn eigen kamer te gaan. Zit ik daar in mijn eentje.

Jenny is tien jaar geleden overleden. We zijn 56 jaar getrouwd geweest. Daarna was er nog een andere vrouw in mijn leven. We besloten bij elkaar in te trekken, maar voor we dat deden stierf ze. Geen wonder, dat heb je op onze leeftijd. Ik ben nota bene twee-ennegentig. Ik kan het nauwelijks geloven, de jaren zijn voorbijgevlogen. Mensen kijken verbaasd als ik het zeg. Ze denken dat ik zeventig ben. Dat komt door die volle bos, grijs haar en mijn strakke kop. Zelf voel ik mij geen jaar ouder dan vijfendertig, behalve dan de benen en mijn rechterheup. Die motoriek wil niet meer. Achter de rollator kom ik niet eens verder dan honderd meter. Daarom vonden de kinderen het beter voor mij om hier naartoe te gaan. De zorginstelling is vlakbij Jan, hij die de meest hand- en spandiensten levert voor mij. Hij pikte mij vandaag op om naar het voetballen te gaan.

Toen we in Den Helder woonden, voordat hij met de paarden begon, heeft hij ook gespeeld, maar voor voetbal miste hij mijn talent. Hij zit naast mij, mijn jongste zoon, een kanjer van een pikeur is hij geworden. We hebben toppaarden gehad, echte winnaars, een stal van hier tot gunter.

Ik heb een plaats precies op de middellijn waar de spelers het veld opkomen. Vandaag krijg ik een VIP behandeling van Jan. De kaarten waren een cadeau van hem voor mijn verjaardag.

Het is zo’n 75 jaar geleden, dat ik mijn debuut maakte in het eerste: 4 oktober 1941. Ik was nerveus, maar vol goede moed. Aan zelfvertrouwen heeft het mij geen dag van mijn leven ontbroken. Ik ben voor niemand op de knieën gegaan, niet voor de spelers van het Nederlands Elftal, niet voor de moffen, niet voor de Indonesiërs tijdens de politionele acties, niet voor de arrogante HTS-ers die mij in mijn werkzame leven als monteur dwarszaten en niet voor de hoge heren paardenbezitters. Uiteindelijk trok ik aan het langste eind, omdat ik wist wat ik deed en aan de goede kant stond.

Bij mijn debuut in het eerste elftal was ik een knaap van zeventien en ik moest de vaardige Frenske van der Veen, de beste voetballer van Heracles, ooit met acht caps in het nationale team, vervangen. Het jaar ervoor was Heracles kampioen van Nederland geworden. En in dat elftal kwam ik onder luid gejuich op. Ik scoorde niet die keer, maar ik haalde wel de krant, Talentvolle jonge linksbinnen maakt debuut, kopte die. Moeder knipte het artikel uit. Zoals ze alles verzamelde wat over mijn topsportcarrière ging. Het is toch wat dat mijn jongen het zo goed doet, zei ze tegen anderen. Ach, ach, mamaatje, ik mis je nog steeds.

Het voetbal zat mij in het bloed. Heracles was zijn thuis. Als ventje had mijn vader mij al meegenomen naar het stadion. In 1932 en ’33 speelde Heracles tegen buitenlandse clubs, zoals Wacker en Austria Wien. Volle bak in het stadion. Ik stond met open mond te kijken naar de beroemde voetballers, Oostenrijk was een topland in die jaren.
Van de E-tjes tot de A had ik in de eerste elftallen gezeten van de vereniging, meer dan 150 doelpunten gemaakt in de jeugd. En…met die geruststellende gedachte in mijn hoofd ging ik het veld op. Trots als een aap met zeven staarten dat ik zelf een speler van de topploeg Heracles werd. Ik zou niet falen. Tenminste 8000 mensen bezochten de wedstrijden, soms tegen de grote jongens zoals Enschede en Go Ahead, kwamen er wel 11.000. Het was een drukte van belang in en om het stadion. Lopend of per fiets kwamen de mannen door de Bornsestraat (waar wij woonden). Aan het eind van de wedstrijd stonden de vrouwen met of zonder kinderwagens de mannen op te wachten. Het was voor mij een eer om voor zulk enthousiast publiek te spelen en ik had een mooie toekomst voor mij.
Helaas hadden de stevige binken in de hoogste klasse het gauw op mijn benen gemunt. Na zes wedstrijden raakte ik geblesseerd. En voor ik in orde was, brak de oorlog uit en stopte de competitie, beter gezegd hij raakte in het slop door de razzia’s van de Duitsers. Jonge mannen werden opgepakt om dwangarbeid te doen in Duitsland. Ook ik kwam in handen van de Duitsers terecht. Het was verschrikkelijk. Over de omstandigheden daar in Hannover waar we werkten zou ik heel wat kunnen vertellen. De honger die we leden als dwangarbeiders. Er werd beloofd dat we wat extra te eten kregen als we een voetbalpotje speelden. Daarvoor werd ik vanzelfsprekend uitgenodigd. Alles was feestelijk rond de wedstrijd. En er was inderdaad voedsel.

De Duitsers namen de wedstrijd op. De film gaf een vrolijk beeld van de ‘gastarbeiders’ en werd als propaganda gebruikt. Hij liet zien hoe goed we het hadden. Gelukkig kon ik ontsnappen. Ik kreeg een brief dat mijn moeder ernstig ziek was en toen mocht ik naar huis. Het was een truc, ma mankeerde niks. Jaren heb ik ondergedoken gezeten. Eerst in een andere boerderij bij een vriendelijke familie. Het werd er echter te gevaarlijk. Ook voor de boer en boerin en hun kleine kinderen. Later zat ik, met twee vrienden, in een hol onder de grond. De dekens waren nat van het opstijgende grondwater. Het is een wonder dat ik geen tering heb gekregen en niet ben gestorven in die bagger. Aan het eind van de oorlog denderden de Britse bommenwerpers over onze hoofden. Blijkbaar was de grens tussen Duitsland en Nederland voor de geallieerden niet scherp, want na verloop van tijd stond er van ons dorp geen boerderij meer overeind.

Muziek klinkt op. Het publiek gaat staan en klapt in de handen. De spelers lopen het veld op hand in hand met een junior. In mijn tijd moest je twaalf zijn en al een beetje kunnen spelen om lid te worden van Heracles. Als jongen deed ik niets anders dan voetballen. Altijd op straat met mijn vriendjes een balletje trappen, met onze jassen maakten we doelpalen. Snel was het mij duidelijk dat ik het beter kon dan de anderen. Ik werd als eerste gekozen na het poten. Met een leugentje kwam ik bij de vereniging toen ik negen was, vandaar dat ik jaren extra in de A-speelde.

Nu mogen ze vanaf hun geboorte bij de kidsclub. Sommigen lijken jonger dan vier, de kindertjes die hier voor mijn neus naast de profs staan. Sommigen kunnen nauwelijks lopen, wat een grappige jochies, ach …  er zitten ook meisjes tussen, dat heb je tegenwoordig. Ze geven elkaar een handje en struikelen van het veld af. Dat hebben ze mooi geregeld bij de club. Er rolt een traantje over mijn wang.
Jan kijkt naar mij en vraagt: ‘Gaat het vader?’ Ik knik.
Amateurs waren het in 1941. Later werden ze er pas voor betaald. Die tijd heb ik helaas niet meer meegemaakt. Dat was pas mooi geweest, je hobby uitvoeren en er nog geld voor krijgen ook. De scheidsrechters, er zijn er maar liefst vier, zijn ook professional. Iedereen verdient zijn brood ermee.

De voetballers geven elkaar high fives en nemen hun posities in. Mietjes zijn het tegenwoordig, zo strak in hun tenue. Ze zitten langer bij de kapper dan ze op het trainingsveld staan. En dan die tatoeages. Sommigen zijn van kop tot teen van tekeningen voorzien. Daar zou ik niet bij mijn moeder mee aan hebben hoeven komen. Wat zou ze dat ordinair hebben gevonden, iets voor lichtmatrozen en piraten! De spelers liggen na elke sliding te kreperen. O, o, o.  Eentje wordt gewisseld en trekt een pruillipje. Deze jongens zouden een oorlog niet eens kunnen doorstaan. Laat staan twee, zoals ik heb mee gemaakt.

Ze scoren een doelpunt, Tannane heet de speler, wat een wonderbaarlijk talent. Ze kunnen het wel, dat moet ik eerlijk toegeven. Het is snel en technisch, daar zouden wij niet aan hebben kunnen tippen, ook die afgetrainde lijven hadden we niet, van een six-pack hadden we nog niet gehoord.

Het wordt 2-0  voor rust. Jan neemt mij mee naar de ‘Hall of fame’. Ik schuivel voorzichtig met mijn stok de trap op, Jan houdt mij stevig bij mijn arm vast.

‘Hè, hè,’ zeg ik. Hij pakt een stoel. Ga maar zitten pa. Hij haalt een biertje voor me.

Ik kijk in de rondte en zie niemand die ik ken. Het is ook zolang geleden. Een probleem als je zo oud wordt als ik. Je overleeft iedereen. Niemand weet van je heldendaden. Ik zou er zo graag over vertellen, opscheppen zelfs als je wilt. En vooral zou ik niet vergeten willen worden.

Jan komt met twee plastic bekers bier. Ik zet mijn lippen in het schuim. Niets lekkerders dan een biertje in de pauze van het voetballen.

‘Wil je de hal of fame zien?’ vraagt Jan. Ik drink mijn beker leeg en zet hem neer.

‘Oké!’

We slenteren de gang in. Vooraan in het verre verleden beginnen we.

‘Verrek daar sta ik. Hier op deze foto,’ zeg ik Jan. Ik kijk naar de namen onder de foto. Nergens staat Henk Obermeyer. Op een andere foto’s zie ik mijn naam staan bij een geheel andere man.

Ik bal mijn vuisten en druk mijn lippen op elkaar. Het is… verdraaid nog aan toe! Het bloed stroomt naar mijn wangen. Jan kijk mij bezorgd aan.

‘Hier laat ik het niet bij zitten,’ zeg ik met luide stem. Enkele mensen, biertje in de hand, kijken op.

‘Weet u wie ik ben?’ Ik wijs met mijn stok naar de man die mij met een glimlach om zijn mond aankijkt. Een man in pak, met een stropdas, één van de bestuurderen, gok ik, wie draagt er in godsnaam anders een kostuum naar een voetbalwedstrijd. Ik doe een paar stappen en zet de stok op zijn stropdas. De glimlach verdwijnt. Hij schudt zijn hoofd.

‘Ik ben de heer Obermeyer, een talentvolle voetballer, een speler uit het eerste elftal. Zowat het kampioenselfstal en niets van de onderschriften op deze fotogalerij klopt! Niets, hoort u mij,’ roep ik hem toe. Inmiddels is de aandacht van alle aanwezigen gewekt en het is stilgevallen.

Een jonge vrouw loopt met snelle passen op mij  toe:
‘Wat spijt mij dat, meneer Obermeyer. Natuurlijk zullen we er alles aan doen om het te corrigeren.’

‘Mooi, mooi,’ ik merk dat ik mij te druk heb gemaakt. Het is een wonder dat die rikketik het blijft doen, denk ik naar ademhappend. Het geroezemoes neemt toe, mensen draaien zich weer naar hun gesprekspartner. Jan leidt mij naar een vrije stoel.

Het meisje, ze heeft rossig haar, sproeten, en prachtige gave, witte tanden schuift aan.
‘Misschien wilt u ons helpen bij de verbeteringen? Als u een keer komt en alles op een rij zet?’

Ik knikte. ‘Heracles blijft mijn club!’ roep ik.

Epiloog

Een maandje later komt Henk Obermeyer met verbeteringen. Hij houdt een kort verhaal voor bestuur en belangstellenden. De Hall of fame is hersteld, loop er eens langs en je leest de goede namen bij de foto’s.