@DWDD #De Cavia

 

Ik hoorde de bel. Een wonder, want mijn gehoor is niet meer wat het is geweest en de helft van de keren doet het klerending het niet. Sophie, mijn drie jaar oudere zus, net 74 geworden, was boodschappen doen, dus schuifelde ik op mijn krukken naar de voordeur. Het nieuwe meisje van de overkant stond voor mijn neus. Een schriel ding met grote ogen en lange vlechten. Jong nog, al stak ze een kop boven mij uit. De jeugd leek hoger en hoger te worden.
Haar ouders hadden het pand, net zo krakkemikkig als het onze met verrot houtwerk en een halfvergane tuin, een goed jaar geleden gekocht. Maandenlang zagen wij er Polen en Hongaren klussen én wonen. Sophie zat er naar te koekeloeren, ze heeft wat van ons moeder weg. Twee weken terug was het gezin erin getrokken.
Het meisje zei dat ze Elsa van Houten heette. Volgende maand werd ze twaalf, ik dacht dat ze jonger was. Nog één schooljaar en daarna ging ze naar het VWO, vertelde ze erbij. Een slim ding dus ook nog.
Ze had een kooi met een cavia in haar handen. Of ik hem wilde hebben. Zij bleek allergisch voor het beest. Tja… ik krabde achter mijn oor. Een huisdier, daar had ik nooit over gedacht.

cavia3

 

 

 

 

 

 

 

 

Het meisje vond dat ik zoveel op het beest leek. Het was niet lelijk bedoeld, dat hoorde ik aan haar stem en ik zag het in haar ogen. Geloof mij, ik weet wanneer dat wel het geval is. Ik ben opgegroeid in een tijd dat pesten een natuurverschijnsel was. Als kind heb ik polio gehad. Mijn moeder had vergeten mij op tijd in te laten enten. ‘Ik had het zo druk,’ vertelde ze ons later, ‘met jou en Sophie en mijn werkhuizen.’

Schommelend in beugels kwam ik op de lagere school. Ik werd met de nek aangekeken en bespot: ‘Manke, mankepoot.’ Ze duwden me omver, bespuwden mij. De juffen en meesters lachten erom. Moeder zei: ‘Daar word je sterk van.’ Ook fluisterden ze achter mijn rug dat mijn moeder een moffenhoer was. Twee keer werd mijn moeder zwanger. Eén keer door de bezetter in 1942 en één keer door de bevrijder in 1945, ze was dus niet exclusief een moffenhoer. Sophie en ik zijn halfzusters. Sophie is een malloot, maar wel goed ter been.

De goedkope, versleten kleren waren de volgende reden om mij het leven zuur te maken. Etters waren het, de kinderen die het beter hadden dan wij. Ik haatte ze.

Elsa, dit overbuurmeisje, is niet zo’n pestkop. Ze keek mij met grote ogen aan. Ik bestudeerde de cavia in de kooi. Hetzelfde lange, grijze haar hing boven de ogen van het beestje. Ik heb namelijk van mijn leven nog geen stap in een kapsalon gezet. De kleine kraaloogjes van de cavia konden juist tussen de lokken heenkijken. Het brede gezichtje, de stompe roze neus. Het was inderdaad of ik in de spiegel keek.
Het meisje blies een haarplukje voor haar ogen weg. Ze vroeg: ‘en?’ Ze hield de kooi wat hoger.
Ik knikte, krabde op mijn hoofd en pakte de kooi aan. Een fietser passeerde en zei: ‘Hé, Elsa.’ Ze stak haar hand op. Een paar droge bladeren waaiden op. De zoetige geur van de herfst hing al in de straat. ‘Misschien kunt u mij over het wel en wee van mijn cavia schrijven, via Facebook?’ vroeg ze.
Bijna gaf ik van schrik de kooi meteen terug, maar juist op dat moment piepte het beestje en hield ik hem stevig vast. Ik schudde mijn hoofd. Vroeger veinsde ik ziekten om niet naar school te hoeven. Mijn moeder geloofde me, de onderwijzers en de onderwijzeressen ook. Daardoor leerde ik schrijven noch lezen. Ik kon dus niets op Facebook melden. Sophie zou het evenmin kunnen, maar die was goed in rekenen. ‘Reken er maar op,’ zei ze om de haverklap.
‘Vloggen dan?’ Ik knikte, al wist ik niet wat dat was. Ze was aan het rondzwaaien met zo’n modern ding. Een smartiefoon, iets dergelijks. Appen had ze het over. Ze ging naast mij staan en  zei: ‘Lachen.’ Ik deed het met de lippen stijf op elkaar, want ik had mijn gebit niet in.
‘Als u lacht, lijkt u nog meer op de cavia,’ zei ze en klonk tevreden. Haar lange staarten gooide ze met een geroutineerd gebaar naar achteren. Ze nieste een keer. Misschien is ze allergisch voor haar eigen haar, dacht ik.
‘Wat een lief beestje. Hoe heet het?’ vroeg ik, terwijl ik het door de tralies met een vinger over zijn kopje aaide. Ze haalde haar schouders op.
‘Hij moet nog een naam krijgen. Weet u wat… we vragen een tip via de vlog.’ Ik had geen idee wat ze bedoelde, ‘mag ik bij u binnenkomen?’ vroeg ze.
Ze wilde ons huis in. Net als die lui van de gemeente. Sophie was er niet, ze zou het niet goed vinden. Waarom kon ze niet gewoon aan de deur blijven staan?
‘Het is een rommel binnen,’ zei ik, ‘en Sophie houdt niet van vreemdelingen.’ Elsa haalde haar schouders op.
‘Dan doen we het buiten.’ Ze trok mij aan mijn mouw naar de uitgegroeide vlinderstruik in onze voortuin. Ze ging naast mij staan.
‘Wie weet er een mooie naam voor deze cavia?’ zei ze terwijl ze die smartiefoon voor ons hield. Zij had het beestje uit de kooi gehaald en hield hem naast mijn hoofd, zodat de gelijkenis zo treffend mogelijk zou zijn. Ik glimlachte weer met mijn mond dicht.
‘Voor een tientje mag je meedoen, de winnaar krijgt een mooie prijs,’ zei Elsa tegen haar smartiefoon. Ze straalde naar de camera met haar regelmatige, witte, tandjes. Ze was nauwelijks uitgefilmd of Sophie naderde. Ze sjokte in haar donkerblauwe regenjas, links en rechts een oranje plastic tas van de C1000 in haar hand. Net als ik had ze lang, grijs haar, maar dat van haar was opgerold in een knot. Ze leek niet op een cavia, al was het maar doordat ze een lang, smal gezicht had, met een haakneus.
‘Wat doe jij buiten? Hup, naar binnen, manke,’ zei ze op haar gebruikelijke knorrige toontje tegen mij.
Elsa zette de cavia in de kooi en ik nam hem op.
‘Geen beesten in huis,’ mopperde Sophie, terwijl ze met haar boodschappen de gang in liep. Ik boog mijn hoofd en gaf de kooi terug aan Elsa. Ze aarzelde. Ik haalde mijn schouders op en volgde mijn nazi-zuster, zoals ik haar in gedachten noemde, het huis in. Binnen ging ze tekeer, hoe ik het in mijn hoofd haalde. Haar geschreeuw moest buiten te horen zijn. Elsa stond er nog steeds, ik kon haar door het gewapende glas van de voordeur zien staan.

Ik nam plaats in mijn stoel bij het raam. Er viel niet veel te beleven. De laanbomen waren aan het verkleuren. Het zou niet lang meer duren of ze zouden helemaal kaal zijn. De overbuurman liep het huis uit met een aktetas onder de arm, en pakte de rode auto. Ze hadden ook een zwarte, daarmee reed zijn vrouw. Hij had mij niet gezien. Soms zwaaide hij naar mij als ik hier zat.
Een paar uur later zag ik vanuit mijn kamer Elsa hollend de weg oversteken naar ons huis. Ik hoorde niks, de bel weigerde waarschijnlijk dienst. Sophie kwam niet naar de deur, misschien was ze boven aan het strijken. Ik ging. Krakend stond ik op, stijf van de eerdere inspanningen die dag.
Op het moment dat ik de deur opende, begon ze te kletsen. ‘We gaan viral, kijk…’ Ik wist niet waar ik moest kijken, viral leek mij niet gunstig, het leek op een ernstige ziekte, zoals polio. Niet iets waar ik op zat te wachten. Ik knikte en glimlachte met mijn lippen van elkaar, ik had mijn gebit ingedaan.
‘Ik ben gebeld door DWDD en er is al een vermogen betaald voor de voornaam. Overigens, uw gebit moet uit. Dat is echt beter,’ zei ze. Ik pakte mijn tanden uit mijn mond en stopte ze in mijn zak. Ik had ze sowieso liever niet in.
‘DWDD?’
‘Ja, pfff… je weet ook niks, De Wereld Draait Door! Het tv programma waarmee je kunt scoren.’ Zo, zo… op tv. Gekker moest het niet worden.
‘De origineelste naam vond ik Plumeau,’ vervolgde ze en keek mij aan.
Ik knikte.
‘Mooi, dan wordt het Plumeau. Doen we samsam?’
‘Ja, dat is een leuke naam.’
‘Wat?’
‘Samsam,’ zei ik. Ze leek van haar stuk gebracht, ‘Niemand heeft Samsam bedacht.’
‘Jij toch? Jij zei: Samsam. Ik vind dat een mooie naam.’
‘Oké? Maar ik bedoelde, zullen we het geld gelijk verdelen?’ Het meisje sprak in raadsels, ‘we hebben mega verdiend’. Ik pakte de cavia uit het kooitje en aaide zijn zachte vacht. Het zou fijn zijn een huisdier te hebben.
‘Even vloggen,’ ze pakte haar telefoon, ik begon al te grijnzen, ‘Samsam is het geworden, niemand heeft de naam geraden, helaas.’ Ze zette de cavia op mijn hoofd. Dat moest een koddig gezicht zijn. Ik grijnsde. ‘Sam en sam, Samsam,’ voegde Elsa toe.
Sophie schoof boven het gordijn opzij.
‘Ik moet naar binnen,’ zei ik.
‘Welnee,’ zei ze. Ze trok mij aan mijn arm richting de overkant. Daar reed haar vader aan, ‘We gaan naar de Westergasfabriek voor DWDD,’ zei ze. Ze bleef woorden gebruiken die ik niet kende.
Gewillig liet ik mij in de auto duwen. Ik zwaaide naar Sophie die haar vuist balde. Ik kon een brede lach niet onderdrukken. Ik ging viral. Het leven was een feest.