Daddy Cool

Bonybidtomterugtemogen

 

 

 

 

 

 

 

Iedere dinsdagmorgen loop ik op mijn gemak van Sint Marten waar ik woon, heuvel af naar het centrum van de stad. Op het kerkplein waar de gespalkte Eusebiustoren met een scheef oog de Arnhemmer bekijkt, bevindt zich mijn favoriete café. Het valt niet mee om uit te leggen waarom dat zo is. Het hoge plafond en de stenige wanden van het gebouw produceren zo’n enorme galm dat je tegen het geluid aanloopt zodra je binnenkomt. Dit soort gelegenheden zijn populair bij de jeugd. Vanuit de eerste locatie met deze basfunctie, hotel New York in Rotterdam, hebben ze zich als een olievlek over Nederland uitgebreid. Cafés bevinden zich in oude scholen, opgegeven kerken, lege fabriekshallen, noem alle holle constructies maar op en er is een ondernemer die er een horecagelegenheid in vestigt. Als het echoot gelijk Gods woord in de gereformeerde gemeenschap op een winterse zondagmorgen zit het propvol met trendy jeugd. Geen van de jongeren stoort zich aan het geluid, ze schreeuwen zich er gesticulerend als zwemmers in nood bovenuit. Blijkbaar is het overdonderende gebrul voor mij iets om mij in onder te dompelen, al ben ik een ruime vijftigplusser. Het maakt de wereld tot zo’n ondoordringbare massa dat ik in mezelf kan keren en me tot grote creatieve hoogte kan verheffen. Dat is mijn uitleg waarom Dudok mijn favoriete schrijfcafé is.
Op deze dinsdag zoek ik een tafeltje. Het is buitengewoon druk vandaag. Het heeft toch niet te maken met die Italiaanse wielerronde, zou die wellicht starten vandaag? Ik pieker er over, maar ik geloof dat ik onderweg geen roze tekens en snelle fietsen heb gezien. Achter in de zaak vind ik een plekje. Een meisje vraagt wat ik wil drinken en ik bestel een Leffe blond, het is tenslotte koffietijd. Uit mijn handtas haal ik een schrijfblokje en een pen. Voor mijn werk gebruik ik de Parker vulpen die ik van mijn vader heb gekregen toen ik mijn doctoraal Nederlands haalde. Ieder ander schrijfgerei blokkeert onmiddellijk het denkproces.

‘Je zult nu zeker schrijver worden,’ zei mijn vader toen hij mij het doosje overhandigde. Dat ik enkele succesvolle romans heb uitgebracht, heeft hij helaas niet mee mogen maken. Hij was sowieso trots op mij, lerares Nederlands op een gymnasium vond hij een mooie carrière.

Onderweg van Sint Marten tot hier had ik lopen broeden op de scène die ik vandaag uit zou werken. Ik sluit mijn ogen en snuif een keer. De walm aan geluid laat ik doordringen tot in de kleinste uitlopers van mijn neuronen en daarna druk ik hem weg, concentreer mij volledig op de taak die voor mij ligt.

De pen vloeit als vanzelf over het gelinieerde papier, woorden, zinnen, alinea’s komen tevoorschijn zonder dat ik na hoef te denken. Ze staan er. Over het meisje, het blanke meisje en de gekleurde jongen. Ik ben er mee doende. Mijn twee succesvolste romans spelen zich niet voor niets in Indonesië af. Altijd gaat het over kleur. Ik hou van kleur, van gekleurde mensen.

Ik voel iets op mijn schouder, ontwakend uit mijn roes, ben ik er van overtuigd dat iemand mij zomaar aanraakte. Er borrelt ergernis op. Verstoord kijk ik midden in het ronde, donkerbruin gekleurde gezicht van iemand die ik goed ken. Ik ben zo verbaasd, dat ik niet boos word. Iets wat zeker gebeurd zou zijn, had een willekeurig persoon hier naast mij gestaan. Ik vergeet zelfs dat het mijn schrijfdag is, de heilige dinsdag van de week.

Hij wijst op de stoel tegenover mij die leeg is.
“Take a seat,” zeg ik, “The managers of Man City don’t recognize a good striker, hey?” Hij schudt zijn hoofd.

“Overigens, ik heb Nederlands geleerd. Dus…,” Hij kijkt mij met een verlegen glimlach aan. Zijn witte tanden steken af tegen zijn donkere gezicht. Om ons heen wordt naar onze tafel gekeken. Een moment wordt er door iedereen gezwegen, een weldaad aan stilte sijpelt door mijn poriën. Tot mijn verbazing blijven de mensen waar ze zitten, ze mompelen wat en werpen nog een blik.

“Het liefst zou ik terugkomen. Ik mis Arnhem meer dan ik had gedacht,” zegt hij zachtjes. Ik weet dat ze bestaan, mensen die het allerliefst in Arnhem wonen, ik ken ze van nabij – Marcel van Roosmalen ten spijt, die beweert dat alle Arnhemmers één verlangen hebben en dat is de stad zo snel mogelijk verlaten- maar wie had gedacht dat een profvoetballer uit Ivoorkust daar toe zou behoren? “Dat ik u hier tegenkom, wat een wonder, wat een geluk,” vervolgt hij zijn verhaal, “Ik wil u al zolang spreken.” Hij haalt een boek uit zijn jaszak. Er komt een rode orchidee tevoorschijn, scherven Delfts blauw, mijn omslag, hij is wat gekrast. De ezelsoren van de bladzijden getuigen van menig keer omslaan. Geen twijfel mogelijk: het is Vaarwel Soerabaja.

“Wat een mooie roman. Uw schrijfstijl bevalt mij. Helder een duidelijk.”

Het zweet staat ondertussen op mijn voorhoofd. Het meisje komt langs.

“Wat drinken?” Hij bestelt thee. Ik neem nog een Leffe, het liefst zou ik er meteen twee bestellen.

Zijn brede schouders en gespierde borstkas zijn nog imponerender van dichtbij dan vanaf rij 12 in vak 119. Wat heeft hij een goeie kop. Ik zit  verlegen om woorden. Voor een schrijfster zou dat, als het aanhield, een behoorlijke handicap kunnen worden. De conversatie is aan de tafels om ons heen hervat. Het geroezemoes stijgt boven de gehoorschadegrens.

“Ik was een enorme fan van jou eh u… als voetballer. Nooit een persoon zo cool zien scoren. Vitesse is nooit meer hetzelfde geworden sinds u weg bent.” Ik bedoel dat met name ik ben blijven hunkeren naar deze superspits. De Chelseahuurling die hem opvolgde was voor velen een adequate vervanger.

“Wat is voetballen, vergeleken met schrijven. Is er ooit een voetballer geweest die daadwerkelijk de wereld heeft veranderd?” Ik denk na. Waarschijnlijk niet.

“Ooit een dissidente voetballer gezien?” Ik kan het mij niet herinneren. Er zal er vast wel een bestaan hebben, eventueel na iemands carrière?

“Wat is een voetbalwedstrijd vergeleken met een boek.” Ik begin in te zien dat mijn rol in de wereld beslist geen kleine is.

“Ik wil ook in zo’n boek, en u gaat het schrijven.”

“Over jou? Heb je zoveel meegemaakt? Misschien moeten we elkaar regelmatig treffen. Zodat je uitvoerig alles wat je hebt beleefd aan mij vertelt. Onder genot van een lekkere blonde.” Het biertje is mij naar het hoofd gestegen, geen zeldzaamheid vroeg in de morgen.

“Deze meneer, die Rick Berlauwt, wiens leven u hier beschrijft, heeft ook niet alles meegemaakt…. U heeft van alles verzonnen. Die vriendinnetjes, die seksscènes, allemaal uit de duim gezogen. Dat heb ik uit betrouwbare bron. Van de schoondochter, van Mirjam. U wilt niet dat iedereen dat weet, neem ik aan?”

“Nou, nee, ja, inderdaad…” Hij vouwt een A-4 uit en strijkt het glad op tafel.

“Hier kijk.” Ik lees wat er op had geschreven, wat hij in zijn biografie wil hebben.

“Echt, wil je met die en die? Zal je vrouw leuk vinden!”

“Ik heb geen vrouw. Het moet spannender worden dan mijn eigen leven, snap je?”

“Een soort Gijp of Kieft, zoiets.”

“U begrijpt mij.”

“Oké, ik wil het doen, maar één voorwaarde… je komt terug bij Vitesse.”

“Deal.”

“Ik praat met Mo, is het rond dan schrijf ik jouw biografie. En je zwijgt over… je weet wel over waar en niet waar.”

“Deal.”

“Weet je zeker dat het boek Daddy Cool moet heten?”

3 reacties op Daddy Cool

  1. Martijn schreef:

    Dit verhaal lijkt een beetje te mooi om waar te zijn, maar als het waar is komt de natte droom van iedere vitesse fan uit.

  2. Een droom van een verhaal, Femmy! Een van de mooiste stukken proza die ik ooit van je gelezen heb. Proficiat!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *