Toespraak 15 augustus 2016, Grevelingen Den Bosch, thema Bersiap.

DSCN8199Geachte aanwezigen,

Ik vind het een eer dat ik u dit jaar mag toespreken tijdens de jaarlijkse herdenking. Daarom heb ik meteen ‘ja’ gezegd toen het mij werd gevraagd.

Ik ben geboren in Schiedam, getogen in Den Haag en door een toeval met de geschiedenis van Nederlands Indië in aanraking gekomen. Ik vond het een verbazingwekkende en schokkende geschiedenis. De Nederlanders, de Indo’s en de Molukkers, hebben in Nederlands Indië ongelofelijk geleden in de periode 1942-1950.

Mijn interesse voor deze geschiedenis kwam door mijn oom.  Hij vertelde over zijn leven als oorlogsvrijwilliger in Nederlands Indië. Zijn geschiedenis heb ik beschreven in Terug naar Bandung. In 1946 ging hij daar als zeventienjarige soldaat strijden om de kolonie voor Nederland te behouden.

Voor de dramatische periode net na de capitulatie van Japan is er pas de laatste tijd enige aandacht. Mijn oom vertelt in Terug naar Bandung wat hij aantreft in 1946.

Ik citeer uit het boek:

Toen ik in Batavia kwam, zag de stad er verschrikkelijk uit. Hele wijken waren afgezet met prikkeldraadversperringen en werden bewoond door vrouwen en kinderen met hongeroedeem en tropenzweren. Ze waren ex-gevangenen van de Jappen.

Met onze wapens op scherp liepen we wacht. ’s Avonds hoorde je links en rechts ontploffingen en elke morgen dreven er lijken van allerlei kleuren in het Andolkanaal, blanken, Indo’s en Chinezen.’

De meeste mensen in Nederland zullen zich afvragen, maar 1946, toen hadden de Japanners zich toch allang overgegeven? In mei 1945 werd in Nederland alweer uit volle borst het Wilhelmus gezongen! De Duitsers verlieten ons land met geknikte hoofden. De vijand was het land uit.

Maar in Nederlands-Indië, na de capitulatie van Japan, waren Nederlanders niet bevrijd. Op 15 augustus 1945 werd direct de onafhankelijkheid uitgeroepen door de Republikeinen, onder leiding van Sukarno en Hatta, en zij wilden van de Nederlanders af. Na de Japanners diende zich direct de volgende vijand aan.

Sommige Nederlanders probeerden van stroken rode, witte en blauwe stof vlaggen te maken en die uit te steken. Maar dat kwam ze  duur te staan.

Het hoofdpersonage Freddy Ribauwt in mijn roman Vaarwel Soerabaja maakte het vlagincident in Soerabaja mee. Uit het boek komt het volgende citaat.

Intan en Freddy kijken naar de nationale driekleur die wappert op het Oranjehotel. Plotseling overspoelen pemoeda’s het plein. Javanen klauteren via de voorgevel het dak van het hotel op. Daar halen ze de vlag neer en scheuren de blauwe baan eraf. Als ze hem opnieuw hijsen, roepen ze in koor: ‘Laat het rood-wit wapperen. Weg met de Nederlanders. Merdèka, merdèka!’ De meute dringt op.

‘We moeten hier weg,’ zegt Freddy tegen Intan. In de verte ziet hij hoe een aantal pemoeda’s op een blanke man duiken. Hij hoort het geschreeuw. Links en rechts breken vechtpartijen uit. Er wordt gemept met stokken en gestoken met bamboe roentjings.
Er staan Japanners aan de overkant. Volgens de capitulatievoorwaarden zouden zij de orde moeten handhaven. Zij doen echter geen enkele poging de rust te herstellen.

Na het vlagincident gaat het van kwaad tot erger.

In 1946 was Martha Gellhorn, de beroemde Amerikaanse oorlogsjournaliste,  één van de elf correspondenten die toestemming kregen om door dit verboden land te reizen. Martha spreekt onder andere met Soetomo. Ze noemt hem een luidruchtige, bloeddorstige rebellenleider. In Vaarwel Soerabaja vertel ik over hem:

Op de hoek van de straat staan luidsprekers op een stellage. Via deze ‘Zingende Torens’ zenden ze Radio Opstand uit. Intan moet schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Na een opzwepend stuk muziek dat Freddy ondertussen angstaanjagend bekend in de oren klinkt, begint Soetomo zijn redevoering. Het is steeds hetzelfde liedje:

‘Wees paraat om de blanke overheerser het land uit te krijgen. Vernietig de vijand.’ Ook de koningin krijgt er van langs. Tot Freddy’s verwondering is het vervelende geknetter razend populair. Jongelui van zijn leeftijd zwermen eromheen. De Japanners mogen trots zijn, alle Heiho’s zijn echte strijders geworden. Boeng Tomo, zoals Soetomo genoemd wordt, ‘vader’ Tomo, zwengelt de agressie aan.    

‘Vernietig ze, verdelg ze, martel en vermoord ze, als ze maar een druppel Nederlands bloed hebben,’ hoort hij de Grote Leider zeggen. De kolkende, gewelddadige massa is zich aan het roeren, ze roepen luid mee en steken hun vuisten in de lucht, terwijl de lichtbruine Freddy en Intan op straat aan het werk zijn.

In heel Nederlands Indië werden in het najaar van 1945 duizenden Indo’s en Nederlanders vermoord. De periode staat bekend als de Bersiap. Toen ik voor het eerst over deze periode hoorde, was ik enorm geschokt over mijn onwetendheid. Vandaar dat de Bersiap de kern van mijn roman Vaarwel Soerabaja vormt.

De mensen bleven na de Bersiap voor hun eigen veiligheid in de kampen. Hoewel er ook gezegd werd dat ze daar min of meer gegijzeld waren.

Soms werden ze bewaakt door dezelfde Japanners die hen tweeënhalf jaar het leven zuur hadden gemaakt.

Martha Gellhorn bezocht een van de kampen op Java in februari 1946.  Zij schrijft:

Het is een verschrikking, niet omdat de kampbewoners geslagen of gemarteld worden, maar omdat ze volkomen verwaarloosd worden. Je verhongert heel snel op een rantsoen van 150 gram rijst per dag.

De meesten hadden er de hele oorlogsperiode gezeten. En toen onder de Jappen al in omstandigheden verkeerd die niet beschreven hoeven worden, ze zijn gruwelijk vertrouwd en bekend. De Nederlanders waren in leven gebleven door te hopen dat ze hun gezin terug zouden vinden, hun huis, hun werk. In plaats daarvan zijn ze nog steeds gescheiden van hun gezinnen en worden ervan beschuldigd smerige imperialisten te zijn die de inheemse bevolking onderdrukken. De onrechtvaardigheid verstikt hen.

Soldaten van het KNIL en oorlogsvrijwilligers, later ook dienstplichtigen wilden de mensen bevrijden en ze gingen vechten voor de kolonie. Twee oorlogen en vele slachtoffers verder, moest Nederland buigen. De Indiëveteranen  vragen zich tot vandaag af, waarom ze moesten gaan, of hun kameraden voor niets zijn gestorven.

Vandaag herdenken we de vele slachtoffers.

De mensen die het hebben meegemaakt, de Nederlanders en de Indo’s in Nederlands Indië, die hun moederland moesten verlaten en voor hun vaderland moesten kiezen, die later moesten zwijgen over Jappenkampen en spoorlijnen. In Nederland had men van doen gehad met Moffen en concentratiekampen. Dat was pas erg. Men had geen oor voor hun verhalen.

Maar nog steeds vandaag de dag, zijn er mensen die de klappen van de Japanners voelen in hun slapeloze nachten,die dekking zoeken in hun dromen als de kogels naast hun oren inslaan. Mensen die het verdriet over het verlies van hun land nauwelijks te boven zijn gekomen.

‘Wij zijn tussen twee molenstenen fijngemalen,’ merkte een Indische Nederlander eens op.

Vandaag herdenken we onze doden in Nederlands Indië.

We herdenken de mannen die meteen in 1942 krijgsgevangen gemaakt zijn,  die onthoofd werden, of tewerkgesteld werden aan de spoorlijnen van Birma of Sumatra, die dwangarbeid verrichten. Zij die stierven door uitputting en ziekten.

We herdenken de vrouwen die probeerden in leven te blijven om voor hun kinderen te zorgen, de jonge vrouwen die speciaal door en voor de Japanners werden uitgezocht en voor het leven getekend zijn.

We herdenken de vele kinderen die stierven van de honger en ook zij die overleefden met de littekens van hun generatie, hun hulpeloze vaders en moeders.

We herdenken de slachtoffers van Bersiap. We herdenken de slachtoffers van de politionele acties. De KNIL-soldaten die voor ons hebben gevochten. Het is mooi om het gezamenlijk te mogen doen. Ik wens u een goede herdenking.

Voorzitter vereniging Honi, Anneke Schults

Voorzitter vereniging Honi, Anneke Schults

DSCN8202

Chandar van der Zande

Chandar van der Zande

DSCN8182

Dominee Alf Ahuluheluw

Dominee Alf Ahuluheluw

Eric Alink, stadschroniqueur

Eric Alink, stadschroniqueur

DSCN8226 DSCN8252 DSCN8255 DSCN8258

Meer foto’s