Convooi naar Tasikmalaya

Van Sergeant Frans Oostenbrink, 13 mei 1948

23 AAT, oftewel de Hulpwerkplaats 623, gaat prestaties leveren. Dit wordt ons duidelijk, wanneer ons aller commandant en geestelijk vader, de Majoor JPA Wagtman, op 12 mei ’s middags 12 uur, het vertrekkende detachement enige woorden toespreekt welke kort samengevat het volgende inhouden: Ga niet met vrouwen op stap, en wacht u voor muskieten, en tenslotte breng een papiertje mee waarop de lof van AAT en LTD 623 bezongen wordt.  En het is luitenant vd Houten die in deze prestaties deel wil hebben, want nooit kreeg deze arme administrateur zoveel orders te verwerken als op die bewuste 12  mei. Op het bureau van de Staf worden zoveel belangrijke beslissingen genomen, worden brieven binnengebracht met de ophef: zeer geheim, terwijl het geheim reeds aan ieder bekend is, terwijl in de werkplaats de luitenant het bevel geeft om die of die op zijn ‘dinges’ te geven, omdat hij dit of dat vergat. Tegelijkertijd slikt hij grote hoeveelheden thee zonder zijn reputatie te verliezen van de Weled. Gestrenge heer 2e Luitenant vd Houten.

Dan is het uiteindelijk 13 mei, een donderdag, waarop Sergeant Busch  de personen reeds om half vijf uit bed trommelt om hen toch vooral aanwezig te doen zijn op het appèl van half zes, dat nooit gehouden werd. In het KL huis en elders is het een en al bedrijvigheid en het al weer de meergenoemde  sergeant vd Week die als een kloek over zijn kuikens waakt dus over hen die Manggarai  voor onbepaalde tijd en met zulk een verheven taak gaan verlaten.
Tampatjes worden ingeladen en de bagagewagen snort door het kampement. Dan is de werkplaats gereed, na eerst een half uur tevergeefs gewacht te hebben op het bewuste appèl. Wagens worden gestart. André, onze breakdown chauffeur klimt naar binnen om de bagage te stuwen, en links en rechts verdringen zich diverse belangstellenden. Ja, het moet ons van het hart, aan belangstelling beslist geen gebrek. “Afscheid nemen is een beetje sterven,”zegt de Fransman, wij moeten dit onderschrijven, want onze magen vulden zich behalve met jam en brood, ook met weeïgheid, wanneer wij staarden in de trouwe ogen (och, arme) van die vele makkers, die zo graag nog iets voor ons wilden doen. De één wil de breakdown aantrekken, maar wij wijzen minzaam en geroerd deze blijken van sympathie af.
Onze commandant  verschijnt dan plotseling binnen onze horizon en drukt vele handen. Bob Meyer hangt met zijn Eva uit het raam. Tenslotte staat het convooi van veertig wagens  nabij het Manggarai station opgesteld. Uw verslaggever bevond zich in de takelwagen welke als eventuele dekking moest fungeren bij onverhoedse aanvallen.
Begroetingen ed worden gewisseld met Sergt.  van Laar, die steeds zo ‘blai’ is met een brief van de ‘maid’ en nog ‘blaier’ zal zijn als hij weer op het ‘skip ‘zit, vervolgens Sergt.  Nolders, de man van de eeuwige salto mortales. Dan zien we een hand de hoogte in gaan. Dit is het sein van de commanderende officier, om te vertrekken. En dat hele machtige convooi van 40 wagens zet zich in beweging, terwijl wij links en rechts een saluut brengen aan de verschillende officieren, die blijk willen geven van hun belangstelling. Zo lieten wij Polonia achter ons en zetten koers naar Buitenzorg, de stad met haar beroemde plantentuin.

HPIM4757

Ons convooi bewoog zich langs dessah’s, die als een soort mozaïek tegen de steile hellingen aanlagen. Over alles hing een blauwe morgennevel. Inlanders droegen fruit. Gebogen onder de last van hun pikolans bewogen zij zich in rhytmische  sukkeldraf over de weg, Een landbouwer dreef karbouwen naar de sawah, geholpen door kleine jongens die, onder het uitstoten van felle kreten, de dieren in de berm hielden. Vrouwen keken naar ons, lachend onder de plooien der slendangs, die zij om het hoofd gewonden droegen. Kleine kinderen, honden en kippen liepen toe vanuit de woningen verscholen in de schaduw der hooggebergte.
In Sindaglaja werd het eerst halt gehouden, teneinde het convooi te doen opsluiten, en allen de gelegenheid te geven zich gereed te maken voor het nemen van de ‘Poendjak’. Maar een kwartier is snel verstreken. Velen voldoen aan een natuurlijke behoefte en lieten Gods water over Gods akkers stromen. Anderen mikken een cocosnoot uit de vele klapperbomen die langs de weg staan en doen zich te goed aan het heerlijke vocht.

En als het convooi zich opnieuw aan de start plaatst, mompelt de breakdownchauffeur ‘hij is voor zijn roodkoperen.’ Jan de Hagenaar zou zeggen ‘laat die rinzig wezen’.  Wij gingen weer voorwaarts en lieten Tjiandjoer  achter ons. Toen begon de tocht welke veler onzer nog lang in herinnering zal blijven. De bestijging der  Poendjak. Veertig wagens die in onafgebroken rhytme en middelmatige snelheid de ene gevaarlijke bocht na de andere veroverden, Het moet gezegd worden: voor de Studebakers was het geen moeite om deze aaneenschakeling van hindernissen te overwinnen, maar in de achterhoede van deze lange colonne, welke door de Werkplaats werd gevormd, kraakte men harde noten. Denken wij slechts aan de machinewagen, waarin zich onze eminente chauffeur van Schaik bevond. Van Schaik, de vrouwenhater, hem was geen bocht te groot, geen stelling te moeilijk, geen snelheid te hoog. Maar toch hoe langzaam kroop zijn wagen, wegens de lading, omhoog. Met een grimmige trek op zijn gezicht, welke zijn vrouwenhaat ten volle deed uitkomen, manoeuvreerde Arie zijn kar over de bergen.  En achter hem reed bedaard Sergt. Van Tongeren, zogenaams ‘Paatje’ wegens zijn reeds grijze haren. Breeduit zitten in zijn Weapon-carrier, met naast zich Korp. Hurkens, de onverzaagde, de moedige, en wanneer men de blikken opving, welke hij op de weg, links en rechts richtte, dan viel reeds het hoofd van menige ‘Plopper’! Na hun kwam vervolgens Korp. De Jong, Arie. Een man van weinig woorden, maar belust op daden. En ten slotte van deze revue, het uitroepteken van deze krijgshaftig uitziende stoet werd gevormd door de chauffeur met het roemrijke verleden, de soldaat 1ste klas André van de Hoven, boven op de breakdown, voor hen die nog steeds niet weten wat een breakdown is, zouden wij zeggen dat het de takelwagen is, welke alle doorgeschoten, doorgezakte en afgezakte wagens huiswaarts sleept. Welnu op dit belangrijke  fabrikaat zat Koren, de brenschutter, geassisteerd door Benjaminetje,  Soldaatke Phiferons uit de Brabantse dreven en die elk meisje voor een ‘durske’ uitschold. En, mijne heren, de Poentjak werd genomen, ondanks haar scherpste bochten en ondanks haar verraderlijke hellingen. Het was een voortdurende aanzwelling van motoren, een gierend geluid, waarna een nieuwe bocht volgde. Zo bereikten wij de top, waarop zich een tempeltje bevond van waaruit we een phenomenaal uitzicht hadden. Daar in de diepte slingerden zich vele wegen, waarlangs autootjes zich gelijk mieren omhoogkropen. Intussen viel het verschil in temperatuur zo hoog in de bergen duidelijk waar te nemen. Ginds in Batavia, werd mening zweetdruppeltje geofferd aan de onbarmhartig schijnende zon, of ‘koperen ploert’. Hier een heerlijk fris windje, dat als een verademing gold voor al diegenen die zich als convooi naar Bandoeng repten.

Deel 2 Convooi naar Tasikmalaya; Naar en in Bandoeng

Nu de Poendjak achter ons lag, ging het bergafwaarts. Naar Bandoeng was het nog een lang traject, maar, zoals ik al zei, de weg ging nu bergafwaarts. Langzamerhand verloor het achterste deel van het convooi het contact met de andere wagens, welke zich door de toenemende snelheid steeds meer van ons losmaakten, en al spoedig geheel en al uit ons gezichtseinder waren verdwenen. Kortgeleden had de commandant nog enige instructies gegeven, in verband met eventuele aanvallen. Deze bestonden uit onmiddellijke verspreiding langs de grasbermen. Maar wij dachten niet aan deze mogelijkheden en repten oostwaarts. Inmiddels begon ook de staart van het convooi uiteen te vallen, want vormde de Werkplaatsformatie een hecht geheel en wist ze aanvankelijke gelijke tred te houden met de overige cars, nu lag ze uit elkaar en bevond de breakdown zich geheel alleen op de weg. Er begonnen zich nu ook wolken te vormen en de lucht betrok merkbaar, zodat na enige tijd hevige regen viel, welke ons alle uitzicht benam. Bovendien was de takelwagen van voren en aan de zijkanten geheel open, zodat zij ons verder geen enkele bescherming bood. Gedoken in onze provisorische regenjassen, met een door water doorweekt gezicht, snelden wij voort. De regen vormden via onze handen een ‘plassie in de schoot’ zoals wij met een variatie op een bekend gedicht kunnen schrijven. Gelukkig werd deze onvoorziene moeilijkheid opgeheven, doordat de hemel zich weer van zijn beste zijde toonde en spoedig een strakblauwe hemel te zien gaf.
Zonder pauze legden wij de weg naar Bandoeng af, welke weer hetzelfde beeld gaf, van hooggebergte dat ons steeds opnieuw in verrukking bracht door haar rijke variatie.

HPIM4518

Het zou bezwaarlijk en tegelijk ondoenlijk zijn al deze mysterieuze schoonheid in woorden uit te drukken, wij willen slechts verwijzen naar de foto’s, die een klein beeld vermogen te geven, wat Java aan natuurrijkdom biedt. En wanneer wij zo onze ogen de kost gaven, en onze ogen over de vele sawah’s lieten glijden, die overal de aandacht trokken, dan moesten wij wel tot de overtuiging komen dat de wederopbouw van Insulinde een feit was.

Nog even voor Bandoeng stonden wij in verrukking voor een enorm hoog vulkanisch gebergte De Goenoeng Gedeh, en bereikten vervolgens de buitenwijken van de stad. Het was inmiddels drie uur geworden en onze magen smeekten om inwendige versterking. Doch deze versterking werd ons geschonken door de keuken van het AAT onderdeel, waar wij onze opwachting maakten. We hadden de keuze uit twee gerechten, rijst of aardappelen. Overal zaten of stonden onze mensen gewapend met messtins of etensblikken, zich te goed te doen aan deze onvoorziene disch. Vele complimentjes werden uitgewisseld met de kok en waarschijnlijk zal nooit de keuken zoveel eer zijn aangedaan als in Bandoeng die bewuste 13 mei. De meesten van ons waren slechts te verzadigen met beide menu’s, en rijst en aardappelen plus groenten, Het gaf een voldaan gevoel en dankbaar gestemd gingen wij naar onze wagens, die in de lange Hoofdstraat stonden opgesteld. Daar reed ook de commandowagen, herkenbaar aan de groene vlag. Langzaam langs het convooi. De commandant informeerde of zich nog moeilijkheden hadden voorgedaan tijdens het laatste traject. Gelukkig kon deze vraag op bevredigende wijze beantwoord worden. Hier in Bandoeng kregen we dan eindelijk voor het eerst te horen  over de werkelijke opzet van onze reis. We zouden ingezet worden in een zuiveringsactie “Stoter Brabant” tegen ca drieduizend extremisten, die volgens de meest optimistische verwachtingen van de commanderende kolonel binnen ettelijke weken vernietigd zouden worden. Er zou zelfs een Duits generaal onder de bende verscholen zijn, waarvan de gevangenneming begrijpelijke wijze op prijs zou zou worden gesteld. Maar u weet hoe het gaat, deze drieduizend extremisten groeiden allengs door geruchten, verdichtsels en al wat meer in aantal. Het waren er geen drieduizend, maar vierduizend bedroeg het aantal en toen wij Bandoeng gingen verlaten zouden we de strijd aanbinden met niet minder dan tienduizend extremisten, waarvan de vernietiging niet binnen enkele weken maar binnen een paar dagen te verwachten viel. Al deze verdichtsels tot hun werkelijke proporties teruggebracht, maakten dat we voldoende overtuigd waren van de ernst onzer taak. De wagens werden ondertussen in gereedheid gebracht voor de reis naar Garoet, ons eerstvolgend doel. Wij verwerkten nog vele djeroeks die in grote getale uit de keuken waren meegesmokkeld. Van de stad zelve kregen wij heel weinig te zien, daar ons verblijf te kort was, maar toch hadden wij voldoende gelegenheid om tot de conclusie te komen dat Bandoeng een Europees aandoende stad was met plekjes die aan Baarn en Hilversum deden terugdenken en bij velen een stukje Holland in herinnering bracht. Vooral de nieuwe wijken vormden een lust voor het oog. Naarmate de tijd vorderde naderde weer het moment waarop het rijdende leger haar tour naar Tasikmalaya zou voortzetten. Nieuwsgierige burgers,  waaronder vele  kinderen, verdrongen zich om de auto’s waar de chauffeurs de laatste hand zetten aan de noodzakelijke voorzieningen. Onze breakdown werd aan de voorzijde gesloten, zodat eventuele nieuwe onderdompeling in de regen uitgesloten was. Een handig gemonteerd zoeklicht boven de cabine zou straks ons ‘lux in tenebris’moeten zijn. Langzamerhand hadden allen plaats achter het stuur of hun Bren, Sten ingenomen, had de Brenschutter op de takelwagen zijn positie tussen de takelinstallatie ingenomen en ondergetekende zich in zijn regenjas geholpen, daar het een beetje kil begon te worden. De reis werd hervat.

 

Deel 3 Convooi naar Tasikmalaya; Van Bandoeng naar Garoet

De voorste auto’s zetten zich in beweging en wij dwz de werkplaatsmensen volgden. Eerst de Hoofdstraat door langs rijen wuivende mensen, juichende kinderen enz. Vervolgens bereikten we de weg naar Garoet. En weer kregen we het lied te horen van zingende, daverende motoren, het lief van kreunende wielen dat luider werd naar gelang zich onze snelheid verhoogde.

HPIM4654

Maar wat moeten we u vertellen over het traject Bandoeng-Garoet? Een rit boeiend, gevarieerd door haar adembenemende natuurschoonheid. Links en rechts stortten kleine watervallen vanaf de bergen en vermengden zich in de diepte met een woest stromende kali. We passeerden uitgestrekte sawah’s, herkenbaar door de blanke watervlakten. Waarboven de jonge padi uitstak. Nu eens staren wij vanaf een hoge berghelling in een diepte, waar de natuur in al haar ongereptheid en ongebondenheid welig tiert, dan weer kijken wij vanuit de laagvlakte tegen onafgebroken bergketenen aan. En boven dit alles koepelde zich in onvolprezen schoonheid en zuiverheid, hemelsblauwefirmament, overgoot de zon moeder aarde met haar warme stralen en deed alles flonkeren en schitteren. Hier stonden wij opnieuw in verrukking en extase voor het wonder der schepping. Hier prees het schepsel zijn schepper. Haalt uw schouders niet op, of wordt een dergelijke openbaring bij Jan Soldaat niet verondersteld? Wij weten u verder niets meer te vertellen van de race naar Garoet, maar willen er alleen dit aan toevoegen, dat deze trip met grote snelheid en vlotheid werd uitgevoerd, totdat de hemel voor een derde keer betrok en binnen enkele ogenblikken de berghellingen in grote modderpoelen veranderde, die ons convooi veel kwaad berokkenden. Nemen wij slechts het feit dat Arie, u weet wel de man van de daad en alleen de daad, bij het afdalen ondanks grote chauffeurscapaciteiten, slipte en slechts met vereende krachten in het gareel gebracht kon worden. Wij voegen hieraan als tweede voorbeeld toe, het relaas van de breakdown, die alleen met en dankzij de remmen die hellingen vol slib en modder overleefde. Dit alles speelde zich af, terwijl aan het einde van iedere bocht een aantal tegenliggers het moment verbeidde waarop ons misschien wel ‘vervloekt’  convooi, gepasseerd was. Neen, het laatste gedeelte naar Garoet was allesbehalve plezierig te noemen en de zweetdruppels op de gezichten der chauffeurs spraken boekdelen. Toch werden al de moeilijkheden onder het oog gezien en met veel behendigheid opgelost. Het bezorgde ons dan ook alleen een enorme opluchting toen wij het voorlopig doel van deze vermoeiende reis bereikten. Het was zes uur ’s avonds. Twaalf uren waren wij reeds op de weg en zo langzamerhand deed de vermoeidheid zich gelden. Garoet gaf overigens hetzelfde beeld te zien als Bandoeng. Een toeloop van mensen zich nieuwsgierig verdringend rond de lange rij auto’s. Schreeuwende kinderen zorgden voor afwisseling en gaven ons tevens handenvol werk, daar zij op en in de wagens kropen, teneinde de voor hun vreemde monsters van nabij te bekijken. Hierin aangemoedigd door onze soldateske houding zaten er al spoedig enige kleuters in de cabine en voelden zich waarschijnlijk als de kinderen in Holland op de St Nicolaasavond.

Langzamerhand begon de duisternis over West Java te vallen. Wij hielden ons nog bezig met koffiedrinken en het eten van krentenbrood. Het was een onvoorziene verrassing, deze lekkernijen, en met grote voldoening en met nog grotere eetlust verdwenen de begeerde artikelen in onze hongerige magen. Maar na deze ceremonie moesten wij ons wijden aan de inspectie van de lichtinstallaties. Men mocht geen risico nemen en vanzelfsprekend behoorde elke wagen van een degelijke verlichting te zijn voorzien. De Werkplaatsploeg had druk werk. Hier een zekering aanbrengen, daar een lamp indraaien of benzine bijvullen. Het was een enorme bedrijvigheid die te denken gaf.
Het zoeklicht der breakdown laat haar stralenbundel in de zwarte duisternis vallen en scheen er behagen in te scheppen om zijn enorm lichtbaken als spelbreker te doen optreden in het zoet gelispel van minnende paartjes, want meer dan eens werd een innig omstrengeld paartje opgeschrikt door het felle licht en onvrijwillig in het zonnetje gezet. Een Hollandse militair met een Indisch, misschien Inlands meisje stevig gearmd,  gaf het bewijs dat de taal der liefde algemeen en internationaal was. Lang kan deze plagerij echter niet duren, want de wijzers van ons horloge draaiden onbarmhartig door.

Toen zij acht uur aanwezen, startte convooi ‘x’ misschien zo genoemd in één of ander geheime order, naar Tasikmalaya.

 

Deel 4 Convooi naar Tasikmalaya; Van Garoet naar Tasikmalaya (slot).

HPIM4671

De duisternis was volkomen en nam geheel Java in haar op. Geen struik, geen boom was meer te onderscheiden. Ne en dan zagen we een schim van een wegvluchtende inlander, opgeschrikt door het gedaver der motoren en angstig wegkruipend voor het lucht der koplampen. In de kampongs die wij doorkruisten, werden de huisjes slechts verlicht door een enkele kaars, die schaduwen afwierp tegen de wanden. Een vriendelijke maan wierp een flauw lichtschijnsel op de weg voor ons. Aanvankelijk ging de reis snel en wij hoopten om 11.00 uur ‘thuis’ te zijn. Inmiddels had zich het convooi voor de zoveelste maal vertakt; enige wagens waren vooruit gegaan om voor de fourage te zorgen en het was weer de werkplaats welke door overbelasting achterbleef. Spoedig waren wij na het verlaten van Garoet weer in de eenzaamheid van het Indisch landschap opgenomen en gleden de vier Werkplaatswagens plus een paar Studebakers van het A Peloton naar het Tasikmalaayse. Na ca één uur rijden deed zich de eerste moeilijkheid voor in de vorm van een lichtdefect aan een Studebaker. Onmiddellijk kwam de Werkplaats in actie en verleende assistentie. Lang duurde het oponthoud niet, maar na hervatting van de tocht kwamen we tot de ontdekking dat zich alweer een aantal auto’s van ons afgezonderd hadden, zodat wij per saldo slechts met 6 auto’s de tocht moesten voortzetten. En nu scheen het geluk toch werkelijk met ons, want zonder incidenten legden we een groot deel van het laatste traject af. Vele kleine bruggetjes doemden voor ons op en werden met levensgevaar en enorm gekraak genomen. Een koude rilling en misschien ook wel een onbestemd gevoel overviel ons, wanneer we bij het passeren van deze wankele en caduque verbindingen in de diepte der ravijnen keken. Maar al die gewaarwordingen ruimden spoedig hun plaats toen plotseling het convooi, of wat daar nog voor door moest gaan, stilstond en dit om een dringende reden, want ineens was bij een bocht de eerste wagen die voor ons als gids fungeerde verdwenen. Ook de breakdown remde snel af en terwijl enige posten links en rechts van de auto’s werden opgesteld, begaven wij ons met spoed naar de plaats van het vermeende onheil. Sombere ideeën speelden ons door het hoofd en we hielden rekening met het ergste, nl dat onze gids met wagen en al in een ravijn gestort was. Wie beschrijft onze verbazing toen daar de stem van de Surinaamse chauffeur klonk ‘ik niet begrijpen, ik al denken waarom dat licht niet branden wil’. Het was een vreemd geluid in deze stilte, die slechts verstoord werd door het gezoem van de vele muskieten en gesjirp van krekels. Wat was er gebeurd? De Surinamer had panne gekregen met zijn licht, dat uitgedoofd was en het plotseling ‘verdwijnen’ van zijn wagen had bij ons veronderstellingen gewekt van een ernstig ongeluk. Na kwam de reactie, onbedaarlijk en zenuwachtig gelach.
Eerst lag korporaal Hurkens in volle lengte in de cabine, bijgelicht door de knijpkat van Paatje, u weet wel de man met de zilvergrijze haren. Na onderzoek bleek de zekering kapot te zijn. De reparatie ging voort. v Schaik kwam erbij, even later ook Arie. Tenslotte stonden en lagen er zeven LTD –boys bij de ongelukkige wagen met zijn niet minder ongelukkige chauffeur, die zich uitputte in verontschuldigingen. Het zal warempel wel drie kwartier geduurd hebben toen André ongeduldig uit de breakdown klom waarin hij een dutje was gaan doen in afwachting van het vertrek. Dat had succes want de koplampen gaven licht en de tocht kon voortgezet worden. Ons zoeklicht lieten wij nog even langs de grasbermen glijden. We voelden ons vreemd te moede, want rondzwervende terroristen zouden in deze omgeving een gemakkelijke prooi aan ons hebben. De weg was nauw en aan beide zijden verhief zich hoog gebergte. Struiken en boomtakken zwiepten langs onze wagens en nauwelijks reden wij één minuut toen André met een vloek zijn car tot stilstand bracht. Alweer een lichtdefect. Het was om dol te worden, doch gelukkig was dit euvel sneller verholpen dan het voorgaande geval. Eindelijk was het toch werkelijk zover dat wij door Fortuna blijvend begunstigd werden. We vonden dat ‘ie weer voor zijn rood koperen was’, want we reden en bleven rijden. In de cabine werd geen woord gesproken. Een ieder werd overgelaten aan zijn eigen gedachtegang. Moe en slaperig zaten we eigenlijk te wachten en uit te zien naar ons einddoel. Waarschijnlijk lag onze brenschutter eveneens te dutten tussen de takelinstallatie, want achter ons heerste een vredige rust. Met een grote stofbril voor de ogen stormden wij voorwaarts. Het zoeklicht dat uit en aan flitste boorde zich in stille en schijnbaar verlaten kampongs. Niemand vertoonde zich op de weg, dan een snel wegkruipende hond. Zo raasden wij voort en bereikten Tasikmalaya. Op de grens der stad werden wij aangehouden door een politiepost, daarna reden we de stad zelf binnen. Dit was Tasikmalaya waarvan de krant soms vol stond. Eenzame verlaten straten, spaarzaam verlichte wagens met nu en dan een patrouillerende, militaire sectie. Ons beheerste slechts een verlangen: Slapen. Het was één woord, maar het betekende voor ons enorm veel. Wat de dag van morgen zou brengen interesseerde ons niet. Misschien hebben sommigen van ons zich ook afgevraagd, wat zouden ze thuis denken, als ze wisten wat er door ons gepresteerd werd, maar ach we zouden het niet eens schrijven, we zouden toch niet begrepen worden. We wilden nu alleen maar slapen, languit liggen, rusten en nog eens rusten. Een gids was gereed om ons de weg te wijzen naar ons voorlopig bivak. We hadden nog de fut onze wagens op één rij te plaatsen en brieven voor Kees van zijn meisje uit de administratiekist te grabbelen. Kees was gisteren als kwartiermaker vooruit gegaan en zat nu natuurlijk te springen om de brief van zijn Nettie.
De bagage werd uitgeladen of beter gezegd eruit gesmeten. Iemand kwam ons in het donker tegemoet. We spraken hem aan met: ‘hé, waar moeten we slapen.’ Die iemand, niemand minder dan de aalmoezenier, leidde ons een kamertje binnen voor 6 personen, terwijl de Werkplaats alleen al dertien man telde. Geen nood echter, we hadden grond om op te liggen en daar vlogen de tampatjes omlaag, klamboes hingen binnen enige momenten gespannen. We konden weliswaar geen voet meer verzetten, maar och, dat hinderde niet, net zo min als het ons weinig deerde dat van de dertien collega’s er twee onder de blote hemel moesten bivakkeren. Het was even en altijd een kwestie van organisatie en we waren geborgen. Binnen als in een pakhuis en buiten in de vrije wereld. En eindelijk lagen we na 19 uur rijden in ‘bed’. Buiten was de tropennacht vol geruchten, zo eigen aan het geheimzinnige Insulinde, aan de hemel flonkerden duizenden sterren. Misschien werd feest gevierd, werden mensen geëerd, maar nergens zou in de geschiedenis of in een krant vermeld staan: ‘Een convooi reed naar Tasikmalaya’. We sliepen in, verder is geen nieuws te melden, althans vandaag niet. De opdracht was gedeeltelijk volbracht, want we bereikten Tasikmalaya.

 

 

2 reacties op Convooi naar Tasikmalaya

  1. Niels schreef:

    Leuk! Meer hiervan!

  2. Krijn van Putten schreef:

    Wat is dat voor een opzegversje vanuit een ander universum?

    Dit komt van een zonnestelsel op een paar miljard lichtjaren hier vandaan.

    Blijf nog een paar weken niet uitgelachen.

    Dit moet door een een heel knappe ghostwriter zijn opgeschreven, maar de man was een totaal scheef beeld voorgezet.

    Moet je daar die ongeregelde Bende AAT’ers van de TIJGER-BRIGADE inSemarang hebben meegemaakt.

    Hand en spandiensten voor de Chinese misdaad congsi’s. Betaalden ze niet dan werden ze met een breakdown van de weg gereden en er voor veel geld weer opgezet.

    Voorraadden verdwenen enz enz. Veel van die mannen hadden het dik voor elkaar.
    En ze hadden bij de onderdelen volop corrupte handlangers.

    Vertel mij wat.

    KRIJN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *